Urban Planning Eindhoven

Stedenbouwkundig plan Schellens terrein  Eindhoven 2006

HEAVENLY ROOMS
(tekst lezing STUK Leuven 14 december 2006)

De locatie ligt in de nabijheid van het centrum van Eindhoven, op steenworpafstand van het Van Abbe Museum, het Stadhuis, het Gerechtshof.
Al deze functies zijn direct gelegen aan de rivier de Dommel. De rivier de Dommel wordt door de gemeente aangemerkt als beelddrager van culturele en recreatieve voorzieningen en is daardoor een belangrijk verbindend element. Het stedenbouwkundig ontwerp betrekt de bebouwing aan de overzijde van de locatie in een directe stedenbouwkundige dialoog. Hierdoor maakt de rivier de Dommel onlosmakelijk deel uit het plan. Het stedenbouwkundig ontwerp gaat uit van een soortgelijke schaal en atmosfeer als het voormalige fabrieksterrein. Dynamisch, amorf en introvert, maar vindt tegelijkertijd aansluiting bij een reeks van functies, als ”stepping stones”, langs de rivier de Dommel. Het voorstel refereert aan het ”concept der hoven” welke kenmerkend is voor een ontwikkeling die zich eerder heeft voorgedaan aan de buitenzijde van de binnenring in Eindhoven. Opvallend hierbij is dat het in zekere mate afgesloten zijn van deze ruimtes van de binnenring, waardoor ze hun eigen sfeer krijgen.
Hierdoor wordt een nieuwe dimensie toegevoegd aan de open en relatief grofmazige structuur van de binnenstad.

”According to Van der Laan’s concept for the abbey of Marnelis in Vaals, what is interior in a minor system can become exterior in a major one and vice versa: the rooms can become courtyards, the corridors roads, the courtyards squares, and so on.”

Het hof vindt zijn oorsprong in het middeleeuwse concept van de hortus conclusus; de omsloten tuin. De hortus conclusus is dermate rijk als concept dat het ook vanuit een hedendaags standpunt benaderd kan worden. Eigen aan het karakter van een omsloten buitenruimte is dat het inspeelt op een ander, eerder gestaag ritme. Een stilte moment binnen het maatschappelijk stedelijk weefsel. Het ontwerp haakt in op dit aspect en vormt de drager van het stedenbouwkundig ontwerp.

Door de omsloten collectieve buitenruimte te verlagen wordt de horizontale gerichtheid geblindeerd waardoor uitzicht inzicht wordt.
De buitenruimte wordt binnenruimte. Hierdoor ontstaan er tegelijkertijd meerdere belevingswerelden binnen het plangebied, welke aansluiten bij de primaire doelstelling van de locatie. Het gehele ensemble richt zich op en opent zich naar de rivier de Dommel en behoud tegelijkertijd haar zelfstandigheid en haar introverte karakter.
De verlaagde patio vormt de spil van het plan. De omringende bebouwing; het monument, de woonpaviljoens en de toren zijn hieraan gerelateerd.

De verhoudingen tussen de patio en de aangrenzende volumes  – breedte, diepte, hoogte -, zijn nauwkeurig bestudeerd.

De bouwvolumes rond de verlaagde patio zijn op de uiterste randen van het terrein geplaatst. De gebouwen kennen formeel geen voor-, achter- of zijkanten.
De hotel toren is teruggeplaatst van de hoofdontsluitingsweg. De ruim 80 meter hoge toren haalt hierdoor de openbare ruimte als het ware naar binnen en plaatst tegelijkertijd zichzelf hierdoor in een parkachtige setting aan de Dommel. Er wordt hierdoor binnen het gebied een nieuwe verticale dimensie (de klokkentoren) geïntroduceerd.
Hij markeert, maar op een terughoudende, bijna zwijgende wijze. Een nadrukkelijk andere identiteit dan de nabijgelegen Vesteda toren, welke zich met name als oriëntatiepunt; als baken en richtinggevend icoon manifesteert. Het stedelijk ensemble kent naast het hotel en appartementen een aantal publiektoegankelijke functies zoals restaurants, een gym en culturele functies die evenals de lobby van het hotel in de verlaagde plint zijn ondergebracht en daarmee een 24 uur cyclus bewerkstelligen. De hotelkamer, als individuele cel, ontsnapt door deze verticale dimensie aan de locatie zelf en maakt daardoor weer onderdeel uit van de stad.
De toren werpt zijn schaduw als zonneklok over het plein en de verlaagde patio.

In tegenstelling tot de kunstmatig aangelegde vijver bij het van Abbe Museum waardoor het natuurlijk verloop van de rivier is gemanipuleerd, is de verlaagde patio ”ingericht” als waterbassin welke uitdrukking geeft aan de identiteit van de locatie; een stedelijk ”landschap” aan de Dommel. In dit verband is de term cortile op zijn plaats zijn.
De cortile is in eerste instantie een holte in een gebouw en transformeert, evenals het hofje later, tot stedelijke ruimte. De cortile verschaft van oudsher licht en lucht in de woning en het verharde oppervlak dient als wateropvang (cisterne – regenput). De stad is te groot geworden om het landschap buiten de muren nog zichtbaar te maken en de rivier wordt aangegrepen als intermediair.

Als uitgesproken landschappelijk element verwijst de rivier naar het landschap. Water weerspiegelt de oneindigheid van de hemel. De waterspiegel van het verlaagde bassin draagt het natuurlijk licht naar de randen tot diep in de omliggende ruimtes en garandeert tegelijkertijd ondubbelzinnig de afstand, de openheid, de leegte; een ongeprogrammeerde ruimte als collectief motief. De omliggende ruimtes verlichten op hun beurt ‘s avonds de waterpatio.

De leegte heeft geen beeldende laag. De leegte biedt geen illusie, het onthult genadeloos. De leegte heeft een andere tijdsdimensie dan de stad omdat ze onveranderlijk is en de nadruk ligt op aspecten als dag- en nachtritmes, de beweging van de hemellichamen en de veranderingen door de seizoenen heen, temperatuur, neerslag, licht.
Deze natuurlijke fenomenen hebben een ”langzamere tijd” dan de kunstmatige, door klokken en agenda’s bepaalde tijd en de ritmes zijn schijnbaar onveranderlijk.
(Fernand Braudel 1969).

De uiteengelegde bouwdelen worden verbonden door de galerij rond de patio. Deze galerij zet een ritmische ruimtelijke gelaagdheid tegenover het één dimensionale vlak van het water bassin en de bovenliggende relatief gesloten gevelvlakken van de woonpaviljoens. De woonpaviljoens rond de patio worden ontsloten door een midden corridor.
Hierdoor komen de appartementen tussen de straat en de patio te liggen.

De loggia’s van de appartementen fungeren als intermediair (micro patio’s/de Hollandse stadstuin) tussen de collectieve ruimte en het appartement (het huis).De verlaagde patio wordt op twee specifieke momenten en (schaal – hoogte) niveaus doorbroken. De hotel toren en het solitaire appartementen blok markeren en accentueren deze opening en de beweging richting de rivier de Dommel. Het plein manifesteert zich hierdoor als balkon aan de Dommel en als piano nobile binnen de compositie als geheel.
De brede trap naar het waterbassin laat de openbare ruimte met het gebied rond het industriële monument vloeiend in elkaar overgaan.
De materialen en kleuren verwijzen simpelweg naar het voormalige fabrieksterrein en het industriële monument.

 

 

S.O.-Schellens-terrein-Eindhoven.002-1op2000-voor-pres-kopie

 

 

test